Ga naar de inhoud

Opgeofferd bedrag bij buitenlandse kleindochter

In dit blog besteden we aandacht aan een belangrijk leerstuk uit de deelnemingsvrijstelling: het opgeofferd bedrag. Dit kwam aan de orde in een internationale context waarbij sprake is van een buitenlandse kleindochtermaatschappij. De casus raakt aan de vraag: wat is het fiscaal relevante opgeofferde bedrag wanneer een moedermaatschappij investeert in een kleindochter, via een tussenhoudster? Het opgeofferd bedrag is het bedrag dat voor de fiscus als kostprijs telt.

Het opgeofferd bedrag speelt een rol bij onder meer de vaststelling van verlies bij vervreemding van een deelneming of bij liquidatieverliezen. Daarbij is het essentieel om correct vast te stellen wat een Nederlandse moeder daadwerkelijk heeft opgeofferd voor haar belang in een deelneming – in dit geval: een kleindochter in het buitenland.

De situatie

De casus betreft een concernstructuur met de volgende kenmerken:

  • Een Nederlandse moedermaatschappij (Moeder BV) houdt 100% van de aandelen in een buitenlandse dochter (Dochter Ltd).
  • Deze buitenlandse dochter houdt op haar beurt een 100%-belang in een buitenlandse kleindochter (Kleindochter Ltd).
  • De Moeder BV financiert (indirect) de kleindochter, bijvoorbeeld door geld te verstrekken aan de dochtermaatschappij met als doel om dat kapitaal verder te laten doorstorten naar de kleindochter.

In deze structuur speelt de vraag: wat is het opgeofferde bedrag van Moeder BV voor haar belang in de kleindochter? Dit wordt relevant als Kleindochter Ltd wordt geliquideerd, verkocht of failliet gaat.

Fiscale benadering: doorbraak van het opgeofferde bedrag

De Belastingdienst heeft in deze context een praktische en zakelijke benadering gekozen die past binnen het bestaande stelsel van de deelnemingsvrijstelling. Daarbij geldt:

Indien de investering in de kleindochter wordt gefinancierd door de moedermaatschappij, terwijl de dochtermaatschappij zelf geen reëel economisch belang heeft bij de kleindochter (slechts een doorgeefluik is), dan wordt aangenomen dat het opgeofferde bedrag voor de kleindochter rechtstreeks bij de moeder ligt.

Dit betekent dat het opgeofferde bedrag niet stil blijft staan bij de tussenhoudster (de dochtermaatschappij), maar wordt “doorgebroken” naar de moedermaatschappij. Daardoor ontstaat voor Moeder BV een opgeofferd bedrag voor het belang in Kleindochter Ltd, ook al houdt zij dat belang formeel niet rechtstreeks.

Deze benadering voorkomt dat het fiscaal relevante verlies op het niveau van de tussenhoudster blijft “hangen” (die mogelijk geen verlies kan nemen), terwijl het economische risico feitelijk bij de moeder ligt.

Wat betekent dit in de praktijk?

Als Kleindochter Ltd wordt geliquideerd of met verlies wordt verkocht, en de moedermaatschappij het economische belang en risico draagt, dan:

  • Mag de moedermaatschappij een verlies nemen op haar opgeofferde bedrag voor het indirecte belang.
  • Dit kan relevant zijn voor toepassing van bijvoorbeeld de liquidatieverliesregeling (let op: sinds 2021 sterk beperkt, maar nog wel relevant bij bepaalde situaties).
  • Voorwaarde is wel dat de investering fiscaal en zakelijk toerekenbaar is aan de moeder.

Er wordt dus kijkend naar de feiten en omstandigheden beoordeeld wie het economisch risico draagt en wie dus fiscaal het opgeofferde bedrag moet hebben.

Let op bij onduidelijke structuren

De Belastingdienst benadrukt dat deze doorbraak alleen wordt aanvaard als:

  • De dochtermaatschappij daadwerkelijk geen zelfstandig belang of economische functie heeft bij de kleindochter.
  • Het kapitaal van de moeder specifiek en aantoonbaar bedoeld is voor de investering in de kleindochter.
  • De moeder daadwerkelijk het risico loopt.

Als de dochter zelf ook (deels) risico draagt of een eigen rol heeft, dan is het opgeofferde bedrag mogelijk deels bij de moeder en deels bij de dochter toe te rekenen.