Ga naar de inhoud

Schijnzelfstandigheid opnieuw onder de loep

In dit blog wordt aandacht besteed aan het actuele en gevoelige onderwerp schijnzelfstandigheid. Dit blog biedt een actuele aanvulling op ons eerdere bericht over schijnzelfstandigheid. Aanleiding hiervoor is een belangrijke uitspraak van de Hoge Raad in de zogenoemde Uber-zaak van 21 februari 2024, waarin werd geoordeeld over de kwalificatie van arbeidsrelaties en de vraag wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Dit arrest heeft impact op de manier waarop zowel opdrachtgevers als de Belastingdienst omgaan met zelfstandige ondernemers, in het bijzonder zzp’ers. In de uitzending werd besproken wat het arrest inhoudt, hoe de Belastingdienst hiernaar kijkt, en wat het politieke vervolg is.

Wat heeft de Hoge Raad beslist?

De Hoge Raad stelde op 21 februari 2024 vast dat er geen rangorde geldt tussen de omstandigheden die meewegen bij het beoordelen van de arbeidsrelatie. Anders gezegd: het ondernemerschap van de werkende telt even zwaar als andere elementen, zoals gezagsverhouding, loonbetaling en persoonlijke arbeid.

Dit betekent dat alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang moeten worden gewogen, zonder dat vooraf een bepaalde factor doorslaggevend is. Het arrest onderstreept daarmee dat het juridische label “zzp’er” of “ondernemer” niet automatisch doorslaggevend is bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Reactie van de Belastingdienst

De Belastingdienst zegt in reactie op dit arrest dat zij zich wel degelijk aan de uitspraak houdt. In de praktijk leeft onder zzp’ers het gevoel dat de Belastingdienst vooral let op gezagsverhoudingen en instructies, en het ondernemerschap (zoals het hebben van meerdere opdrachtgevers, acquisitie, of ondernemersrisico) onvoldoende meeweegt.

De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat dit beeld onjuist is. Volgens hem worden alle gezichtspunten meegewogen, inclusief elementen die het zelfstandige ondernemerschap ondersteunen. Daarbij is het uitdrukkelijk niet de bedoeling om echte ondernemers te benadelen.

Als iemand zelfstandig werkt, ondernemersrisico loopt en zijn werk naar eigen inzicht uitvoert, kan diegene gewoon zelfstandig blijven opereren, aldus de staatssecretaris. Voorwaarde is wel dat de feitelijke samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer daaraan voldoet.

Politiek vervolg: debat op 3 april

De discussie over schijnzelfstandigheid is niet nieuw en wordt al jaren gevoerd in politiek en beleid. Het Uber-arrest geeft opnieuw aanleiding tot politieke aandacht.

Op 3 april 2025 vindt er een commissie-debat plaats in de Tweede Kamer over de positie van de zzp’er. Naar verwachting zullen daarin vragen worden gesteld over:

  • Hoe de Belastingdienst in de praktijk omgaat met de weging van ondernemerschapskenmerken;
  • Of de huidige wetgeving voldoende duidelijkheid biedt;
  • In hoeverre het Uber-arrest moet leiden tot aanpassing van beleid of wet.

Het is te verwachten dat ook de handhaving en toezichtcapaciteit van de Belastingdienst in relatie tot arbeidsrelaties onderwerp van debat zal zijn.

Evenwicht zoeken tussen bescherming en ruimte

Het thema schijnzelfstandigheid bevindt zich op het snijvlak van arbeidsrecht, fiscale handhaving en sociaal beleid. De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt dat niet één criterium doorslaggevend is, maar dat er een evenwichtige afweging moet plaatsvinden.

De Belastingdienst benadrukt dat het ondernemerskarakter wel degelijk wordt meegewogen, zolang de samenwerking tussen partijen ook daadwerkelijk onafhankelijkheid en eigen ondernemerschap toelaat.

In de komende periode zal het politieke debat bepalen of en hoe de wetgeving en uitvoeringspraktijk verder worden aangepast. De uitkomst van het debat op 3 april 2025 en eventuele vervolgmaatregelen zullen in dat kader belangrijk zijn voor de verdere ontwikkeling van het zzp-beleid in Nederland.