De fiscale behandeling van box 3-vermogen is al jaren onderwerp van debat, rechtszaken en wetswijzigingen. De kritiek richt zich met name op het gebruik van forfaitaire rendementen, die in veel gevallen niet aansluiten bij het werkelijke rendement dat belastingplichtigen behalen.
Om tegemoet te komen aan de uitspraak van de Hoge Raad en om (gedeeltelijk) recht te doen aan de realiteit, introduceert het kabinet een tegenbewijsregeling, die belastingplichtigen de mogelijkheid biedt aan te tonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Deze regeling is complex en kent verschillende voorwaarden, uitzonderingen en praktische gevolgen. Hieronder wordt uiteengezet hoe de regeling werkt, voor wie ze geldt en waar men rekening mee moet houden.
Voor wie geldt de regeling?
De tegenbewijsregeling geldt voor de belastingjaren 2017 tot en met 2024, maar niet voor iedereen automatisch.
✅ Wel van toepassing op:
- Belastingplichtigen van wie de aanslag op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond;
- Belastingplichtigen die tijdig bezwaar hebben gemaakt of een verzoek tot ambtshalve vermindering hebben ingediend;
- Jaren 2021 t/m 2024 vallen sowieso onder de reikwijdte van de regeling.
❌ Niet van toepassing op:
- Niet-bezwaarmakers: mensen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen hun box 3-heffing over jaren vóór 2021 vallen (vooralsnog) buiten de regeling.
- Uitzondering mogelijk indien de Hoge Raad in lopende procedures alsnog oordeelt dat ook deze groep recht heeft op rechtsherstel. Voor nu wordt daar echter geen rekening mee gehouden.
Vanaf 2025 wordt de tegenbewijsregeling onderdeel van de gewone aangifte inkomstenbelasting.
Werking van de regeling
Wie in aanmerking komt voor de regeling, kan bewijzen dat het werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitaire rendement volgens de Wet inkomstenbelasting.
De Belastingdienst zal dan het lagere werkelijke rendement volgen. Ligt het werkelijke rendement hoger dan het forfaitaire, dan geldt het forfaitaire inkomen als maximum: de regeling
Formulier ‘Opgaaf Werkelijk Rendement’
Voor de jaren 2017 t/m 2024 komt in juli 2025 een speciaal formulier beschikbaar: het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement.
- Het gebruik van dit formulier is niet verplicht, maar wel sterk aanbevolen.
- Het formulier rekent automatisch, is overzichtelijk en wordt sneller verwerkt.
- Vrije bewijsvoering (zoals eigen berekeningen) mag ook, maar leidt vaak tot vertraging.
Vanaf aangiftejaar 2025 wordt het formulier geïntegreerd in de aangifte IB.
Wat wordt precies vergeleken?
Belangrijk is dat het werkelijk rendement wordt vergeleken met het forfaitaire inkomen uit artikel 5.1 Wet IB 2001, dus na toepassing van het heffingsvrije vermogen.
Dat betekent:
- Het werkelijke rendement wordt bepaald over het volledige vermogen, zonder toepassing van een heffingsvrije voet.
- Dit kan nadelig uitpakken: iemand met bijvoorbeeld €100.000 aan vermogen en €500 rendement, zal dat hele rendement moeten aangeven, terwijl de forfaitaire heffing mogelijk op een kleiner bedrag plaatsvindt (door toepassing van het heffingsvrije vermogen).
Ook belangrijk: kosten van vermogensbeheer of advies zijn niet aftrekbaar bij het berekenen van het werkelijk rendement.
Rekenkundig voorbeeld
Stel:
- Vermogen:
- €100.000 spaargeld
- €300.000 beleggingen
- €1.500.000 overige bezittingen
- Schulden: €1.000.000
- Belastbaar vermogen: €2.500.000
- Forfaitaire berekening (box 3 2023): leidt tot een forfaitair rendement van ca. €11.654
- Werkelijk rendement:
- Rente: €1.000
- Dividend: €500
- Waardestijging aandelen: €20.000
- Rente op schulden: -€2.000
- Totaal: €19.500
In dit voorbeeld ligt het werkelijke rendement hoger dan het forfaitair berekende rendement, dus is geen tegenbewijs mogelijk.
Wat valt onder het werkelijke rendement?
Het werkelijke rendement wordt bepaald op basis van alle inkomsten én waardemutaties, inclusief:
- Ontvangen rente, dividend en huuropbrengsten
- Waardestijgingen en -dalingen van aandelen, vastgoed en andere beleggingen
- Ontvangen rente op leningen
- Betaalde rente op schulden (negatief rendement)
- Gerealiseerde én ongerealiseerde waardemutaties
Belangrijke aandachtspunten uit het wetsvoorstel
- Onzakelijke rente
- Leningen aan familieleden of bv’s tegen een rente die afwijkt van de marktrente, worden herrekend naar een zakelijke rente.
- Doel: voorkomen van het kunstmatig opdrijven van rendement of verlies.
- Stortingen en onttrekkingen
- Een storting verhoogt het vermogen: bijvoorbeeld een verbouwing of uitbreiding.
- Een onttrekking verlaagt het vermogen: bijvoorbeeld het opnemen van kapitaal.
- Onderhoudskosten gelden niet als storting; investeringen (bijvoorbeeld aanbouw of renovatie) wel.
- Vakantiewoningen en eigen gebruik
- Tot en met 2025 geldt dat een woning die niet verhuurd is (eigen gebruik) geen rendement oplevert.
- Vanaf 2026 wordt eigen gebruik belast via een nieuwe regeling: artikel 5.27a Wet IB.
- Geen vast forfait, maar een economische huurwaarde.
- Ook als de woning (zoals een vakantiewoning) grotendeels leeg staat, telt dit als eigen gebruik en is er dus sprake van belastbaar rendement.
Praktische gevolgen
- Belastingplichtigen moeten zelf hun werkelijk rendement over meerdere jaren reconstrueren.
- Dit vereist:
- Jaaroverzichten van banken en brokers
- Specificatie van stortingen, onttrekkingen, waardemutaties
- Berekeningen van economische huurwaarde vanaf 2026
Het opstellen van deze berekeningen is tijdrovend en vereist goede documentatie. De regeling kan vooral gunstig zijn voor belastingplichtigen met weinig of negatief rendement, zoals mensen met (onverhuurde) vastgoedbeleggingen of laag renderende portefeuilles.
Politiek en procedureel vervolg
- Het wetsvoorstel is nog niet definitief.
- De Tweede Kamer moet het vóór mei 2025 behandelen;
- De Eerste Kamer vóór 1 juli 2025 goedkeuren.
- De regeling gaat dan definitief gelden met terugwerkende kracht tot 2017 voor de toegestane groepen.