Ga naar de inhoud

Nieuwe werkgeversheffing voor benzine- en dieselauto’s vanaf 2027 

De overheid zet een volgende stap in de vergroening van het wagenpark. Vanaf 1 januari 2027 wordt een nieuwe werkgeversheffing ingevoerd voor benzine- en dieselauto’s die door werknemers ook privé worden gebruikt. Dit is onderdeel van het bredere beleid om elektrische mobiliteit te stimuleren en het gebruik van vervuilende auto’s verder te ontmoedigen. 

Wat verandert er precies? 

Werkgevers die werknemers een auto van de zaak geven op benzine of diesel, gaan vanaf 2027 een extra heffing betalen. Deze komt bovenop de al bestaande bijtelling voor privégebruik die de werknemer zelf betaalt. 

De nieuwe regeling betekent dus dat niet alleen de werknemer wordt belast voor het privégebruik, maar dat ook de werkgever financieel wordt aangesproken als hij nog kiest voor een fossiele auto. 

Waarom deze maatregel? 

De maatregel heeft twee duidelijke doelen: 

    1. Stimuleren van elektrische auto’s 
      Werkgevers worden financieel geprikkeld om over te stappen op elektrische voertuigen in hun wagenpark. 
    2. Verduurzaming versnellen 
      Het kabinet wil de CO₂-uitstoot verder terugdringen en heeft daarvoor het fiscale instrumentarium ingezet. Benzine- en dieselauto’s worden stelselmatig duurder gemaakt in het gebruik, zowel voor de werknemer als voor de werkgever.

Hoe werkt de nieuwe werkgeversheffing? 

Hoewel de exacte percentages en berekeningswijze nog verder moeten worden uitgewerkt in lagere regelgeving, is de hoofdlijn duidelijk: 

    • De heffing geldt specifiek voor benzine- en dieselauto’s. 
    • Het gaat om een extra werkgeverslast naast de loonheffingen die nu al bestaan. 
    • De hoogte van de heffing wordt gekoppeld aan de mate van privégebruik van de auto.

Een werkgever die een werknemer een auto ter beschikking stelt waarmee veel privé wordt gereden, betaalt dus meer. Daarmee sluit de regeling aan bij het principe dat ‘de vervuiler betaalt’. 

Wat betekent dit voor werkgevers? 

Voor werkgevers die nog sterk afhankelijk zijn van benzine- en dieselauto’s in hun wagenpark, betekent dit een aanzienlijke kostenstijging vanaf 2027. Dit kan leiden tot: 

    • Hogere loonkosten bij het verstrekken van fossiele auto’s van de zaak. 
    • Strategische keuzes in het wagenparkbeheer, waarbij elektrische auto’s aantrekkelijker worden. 
    • Snellere overstap naar elektrisch om de heffing te vermijden.

Het is dus verstandig dat werkgevers nu al vooruitkijken en hun wagenparkbeleid tegen het licht houden. 

Wat betekent dit voor werknemers? 

Voor werknemers verandert de bestaande bijtelling privégebruik auto van de zaak niet direct door deze maatregel. De nieuwe heffing wordt namelijk opgelegd aan de werkgever. 

Indirect kan dit werknemers wel raken: 

    • Werkgevers zullen eerder kiezen voor elektrische auto’s in plaats van benzine- of dieselmodellen. 
    • De keuzevrijheid voor een fossiele auto wordt dus kleiner. 
    • Werknemers die tóch een benzine- of dieselauto wensen, lopen kans dat hun werkgever daar niet meer in meegaat vanwege de extra kosten. 

Voorbeeldsituatie

Stel: een werkgever stelt een werknemer een dieselauto ter beschikking waarmee 20.000 kilometer per jaar privé wordt gereden. Naast de reguliere loonheffingen en de bijtelling voor de werknemer, komt er vanaf 2027 een extra heffing die de werkgever moet afdragen. 

Hoe hoog die heffing precies zal zijn, hangt af van de nadere invulling, maar duidelijk is dat dit fors kan oplopen bij intensief privégebruik. 

Conclusie 

De invoering van de nieuwe werkgeversheffing per 1 januari 2027 is een stevige fiscale prikkel om afscheid te nemen van benzine- en dieselauto’s. Werkgevers worden financieel aangespoord om over te stappen naar elektrische alternatieven en werknemers zullen dit merken in de autokeuzes die hun werkgever aanbiedt. 

De boodschap is helder: wie in 2027 nog kiest voor een fossiele auto, gaat daar flink meer voor betalen – zowel als werknemer (via de bijtelling) als werkgever (via de nieuwe heffing).